De Geliefde Profeet (vzmh)

1.Zijn geduld op weg naar God

Hij bezat een totaal geloof in, en vertrouwen op Allah en was altijd verzekerd van zijn hulp.

Na zijn eerste ontvangst van de Openba­ring, troostte Khadidjah hem met de volgende woor­den: “Allah zal u nooit beschamen. Omdat u respect hebt voor de rechten van verwanten, haast u zich de behoeftigen te steunen, de armen en verdrukten te be­schermen, uw gasten te eren en hen die in moeilijkhe­den verkeren te helpen.”

Nadat hem werd gezegd: “Houd op en wij zullen u alles geven wat u wenst”, was zijn antwoord: “Ik zweer in de naam van Allah dat ik deze zaak niet de rug zal toekeren, ook al zou men de zon in mijn rechter- en de maan in mijn linkerhand plaatsen, dan zal ik doorgaan, totdat ik overwin of eraan ten onder ga”, wat de beste illustratie is van de omvang van zijn vastbera­denheid en geloof.

De profeet Mohammed bezocht de stad Taif met zijn vrijgelaten slaaf Zaid, om de boodschap van ‘Overgave’ te brengen. Maar de stamhoofden, familieleden van zijn overleden vrouw Khadiedjeh, aanvaardden zijn uitnodiging tot de Islam niet. Zij gaven rauwe, spottende opmerkingen ten antwoord op zijn roep tot monotheïsme. Zij lieten hem door de straatjeugd uitschelden en met stenen bekogelen. Ze joegen hem de stad uit. Zaid probeerde de profeet met zijn eigen lichaam te beschermen en raakte hierbij ernstig gewond. Ook de profeet bloedde op verschillende plaatsen. Ze vonden uiteindelijk rust in de wijngaarden van twee aartsvijanden van de Islam, Utbeh en Sjewbe. Toen ze de profeet en zijn metgezel in die toestand zagen, kregen ze medelijden en stuurden een Christenslaaf, Addas, naar de profeet om hem een schaal verse druiven aan te bieden. De profeet bedankte hem uitvoerig. In dat moment smeekte de profeet tot Allah: “O Allah! Houd rekening met mijn zwakheid, mijn gebrekkige middelen en het feit dat ik voor deze mensen niets beteken. O Genadigste der Genadigen, U bent de Heer der Onderdrukten en U bent mijn God. Aan wie levert U mij over? Aan een vreemdeling die mij beledigt of aan een vijand die mij overmeestert? Hopelijk heb ik Uw voede niet opgewekt. Uw welbehagen is immers mijn enige doel. Ik zoek toevlucht tot het licht van Uw geloof en Uw bescherming, die alle duisternis verlichten en waarvan deze en de komende wereld afhankelijk zijn. Ik bid dat ik niet Uw toorn of gramschap verdien. Alleen aan U behoort het recht op toorn totdat Uw welbehagen het overheerst. En er is geen kracht en geen macht dan in U.”

Tijdens de Migratie volgden de vijanden van de Profeet en Abu Bakr hen tot in de nabijheid van de grot van Sewr, waar de laatstgenoemden zich bevonden. Abu Bakr werd bang en sprak: “Boodschapper van Allah, zij zijn vlakbij.” Maar, volkomen rustig, verklaarde Mo­hammed: “Wees niet bekommerd; Allah is met ons.” (Tewbe: 9/40) en de bloeddorstige moordenaars gin­gen inderdaad terug zonder hen gezien te kunnen heb­ben.

Toen hij voortging om de vijand te Badr tegemoet te treden, bracht hij de nacht in Gebed door, wenend en biddend tot Allah: “Mijn Heer, als u dit handjevol mensen vernietigt, zal er niemand op aarde overblijven om U te eren.”

Hij was bijzonder barmhartig naar mensen toe, zijn hart was vol liefde voor menselijke wezens. Nim­mer vergat of verwaarloosde hij deze leerstelling, zelfs niet in de kritiekste en gevaarlijkste momenten. Het beste voorbeeld hiervan deed zich voor toen hij, ter­wijl zijn edele gezicht was verwond en bebloed door de vijand te Uhud, uitriep: “Hoe kan een land dat zijn profeten vernietigt gespaard blijven? Lieve Heer, wijs alstublieft mijn mensen de goede weg; zij weten niet wat zij doen.”

Zo omschreef Aisha hem: “Nimmer berispte hij iemand, nimmer vergold hij kwaad met kwaad. Hij vergaf en behandelde mensen met verdraagzaamheid, Hij nam nooit wraak uit zelfvoldoening. Hij raakte nooit pijnlijk de gevoelens van een slaaf of dienaar, trof zelfs nooit een dier. Hij wees nimmer iemand weg die tot hem kwam met een verzoek.”

2.Zijn uithoudingsvermogen op de weg van de waarheid

Hij geloofde met heel zijn hart in de uitspraak: “Wij zijn het, die de Maning hebben neder-gezonden en Wij zijn het, die haar zullen behoeden.” (Hidjr:15/ 9) en hij probeerde zijn doel te bereiken met meedogenloze vastberadenheid. Voortdurend riep hij zijn lasteraars en hen die hem beledigden tot de Islam en hij deed het Gebed en droeg zonder aarzelen de Koran voor bij de Ka°ba temidden van zijn aanvallers.

Mohammed (vzmh), voerde zelf eerst elk bevel van Allah. Hoewel moslims er vrede mee hadden het voorgeschreven Gebed vijf maal per dag uit te voeren, deed de Boodschapper van Allah 50-60 extra rak’at, buigingen, van (vrijwillige) Gebeden per dag. Zijn voeten zwollen op van het staan in de nacht tijdens Ontnuchteringsgebeden. In verband hiermee vroeg Aisja hem op een dag: “Boodschapper van Allah, de Heer heeft u al uw zonden in het verleden en in de toekomst vergeven. Waarom dan spant u zich zo in en put u zich zo uit?” De Profeet antwoordde: “Moet ik dan geen dankbaar dienaar van Allah zijn?”

Er zijn de moslims geen vastentijden voorge­schreven behalve de vastentijd van de Ramadan maand. Maar er waren weinig weken of maanden dat de Profeet niet vastte. Volgens Aisja “vastte de Profeet voortdurend, zo vaak dat wij dachten dat hij er nooit mee zou ophouden.” Hij vastte gedurende de twee opeenvolgende maanden van Sjaban en Ramadan en vastte verder op de 13de,14de en 15de van iedere maand en zes dagen in de maand van Sjewwal.

Nimmer sprak hij een onvriendelijk woord, loerde hij op fouten van mensen en wees hen op hun gebreken. Als iemand hem een onaangename vraag stelde, antwoordde hij niet en hield zijn mond, terwijl hij zijn ergernis ver­borg en zich weerhield van het uitspreken van pijnlijke zaken. Zij die zijn moraliteit kenden begrepen wat hij met zijn houding voor ogen had. Daarom wreekte hij zich nimmer op iemand en vergaf de oneerbiedigen en zelfs diegenen die plannen maakten om hem te doden.

Toen hij terugkeerde van de Strijd van Nadjd, trok hij zich op een gegeven moment terug om uit te rusten onder een boom. Hij was alleen; niemand was bij hem in de buurt. Op dat moment verscheen er een Bedouïe. Hij had zijn zwaard getrokken en bereidde zich voor om de Profeet te treffen. Toen de Profeet zijn ogen opende, ontmoetten hun blikken elkaar. De Bedouïe riep: “Wie kan u nu redden uit mijn klauwen?” Onze Profeet riep met onverminderd geloof en zeker hart uit: “Allah!” De Bedouïe schudde, trilde en liet zijn zwaard uit zijn handen vallen. Onze Profeet pakte het zwaard onmiddelijk op en sprak: “Wie gaat u nu red­den van mij?” De Bedouïe antwoordde: “Niemand.” Onze Profeet zei: “U moet leren barmhartiger te zijn. U kunt gaan, ik vergeef u.” Deze Bedouïe werd later een goed en vroom moslim.

Op de dag dat Mekka werd veroverd, vergaf hij diegenen die elk denkbaar kwaad tegen de Islam en de moslims hadden bedreven. Op de dag van de verove­ring sprak de Profeet hen als volgt aan: “Koeraisj, u kunt wel raden hoe ik u ga behandelen.”

Zij antwoordden: “U bent een edele broer en een edele neef.”

Hij antwoordde: “Mijn woord aan u, als ant­woord, is dat welk eens door Jozef is gesproken tot zijn broers: “U zult vandaag niet berispt worden. U zult niet met uw misdaden worden gekonfronteerd. U kunt gaan, u bent allen vrij.”

Wie waren onder hen? De meest bloeddorstige vijanden van de Islam: Safwan en Umar, die plannen maakten om de Profeet te vermoorden; Iqrima de zoon van Abu Jahl, die de dochter van de Profeet, Zaynab, vermoordde; de aanvoerder van het vijandelijke leger, Abu Sufyan; Hind, de vrouw van Abu Sufyan, die met haar blote tanden de lever van de oom van de Profeet, Hamzah, aan stukken scheurde; de Barbaar, de Ethio­pische slaaf, die Hamzah vermoordde op bevel van Hind; en vele anderen.

Na de verovering van Mekka, ging de Barbaar, de Ethiopiër die Hamzah had gemarteld, nederig en be­zwaard tot de Profeet om vergeving te vragen. Toen de Profeet de Barbaar zag werd hij overspoeld door emo­ties. Plotseling verscheen het beeld van zijn oom, Hamzah, liggend en doorweekt met bloed, voor zijn ogen. Hij keek naar de grond. Tranen stroomden uit zijn edele ogen. Hij dacht aan alles wat zij hadden moeten doorstaan. Desondanks dit vergaf hij de slaaf, de Barbaar, op één voorwaarde. Hij sprak tot hem: “Alstublieft, ik wil u nooit meer zien. Als ik u zie, word ik aan mijn oom herinnerd en hoe hij is gemar­teld en word ik vervuld van ellende.”

Hij werkte net als andere mensen en droeg stenen op zijn schouders tijdens de bouw van de Moskee, hield zich bezig met handel, voerde oorlog met het zwaard in de hand en spitte zelfs loopgraven met een houweel tot zijn han­den pijn deden.

Terwijl er een loopgraaf gespit werd ter bescher­ming tegen vijandelijke machten rond Medina, brak hij met zijn gezegende handen een steen doormidden die niemand had kunnen breken en verklaarde dat hij het paleis van Byzantium zag bij de eerste klap, het pa­leis van Perzië bij de tweede en Jemen bij de derde.

Op een dag, na het Middaggebed, ging hij rechtstreeks naar huis, hoewel dit ongebruikelijk was voor hem. Onverwijld kwam hij weer naar buiten. Dit wekte de nieuwsgierigheid van diegenen die zich daar in de buurt bevonden en zij vroegen waarom hij dat had gedaan. Hij verklaarde: “Ik herinnerde mij tijdens het Gebed dat er zich thuis wat goud bevond. Ik was bang dat het nacht zou worden vóór ik het aan de ar­men had kunnen uitdelen en dat het de gehele nacht in mijn huis zou blijven.”

Op een dag toen hij thuis kwam zag men dat hij verdrietig was. Op de vraag naar de reden antwoordde hij: “Ummu Salama, die zeven Dinars die naar ons zijn gestuurd bevinden zich nog steeds onder de sofa. En nu is het avond, We konden niemand vinden om het aan te geven.”

Hij was nimmer verslaafd aan de zaken van deze wereld. Toen hij de ziekte opliep die tot zijn dood zou leiden, herinnerde hij zich op het hoogtepunt van zijn koorts dat hij wat goud in huis had. Hij beval dat het onmiddelijk moest worden uitgedeeld en voegde er aan toe: “Moet Mohammed zijn Heer ontmoeten ter­wijl er nog goudstukken in zijn huis zijn?” Er bevond zich niets anders dan een maatvol havermeel in zijn huis toen hij stierf.

De Profeet beval iedereen zich voor te bereiden op de Dag des Oordeels. Hij liet nimmer zijn vroomheid varen. Hij leidde een zuinig leven. Hij was nimmer hebzuchtig. Hij at niet gulzig, in feite leed hij meestal honger.

Op een dag pleegde een vrouw van de Banu Makhzoem stam, behorend tot een familie van aanzien, diefstal. De Boodschapper van Allah berispte diegenen die de vrouw wilden vrijspreken vanwege haar bevoor­rechte status en hij sprak: “Hierom zijn de landen uit het verleden vernietigd: Omdat zij verdraagzaam wa­ren tegenover de rijken en invloedrijken en hen niet straften, terwijl zij de armen onderdrukten. Ik zweer bij Allah dat, indien mijn dochter Fatima iets zou ste­len, zij ook de straf die bij diefstal hoort zou ontvan­gen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *