Emigratie naar Abessinië (Ethiopië)

1.Emigratie naar Abessinië (Ethiopië)

Veel moslims moesten zich verbergen en in het geheim bidden terwijl ze er eigenlijk behoefte aan hadden rustig en in alle vrijheid te bidden en meer te leren over hun godsdienst, zonder angst of zorgen. Mohammed raadde deze kwetsbare moslims aan te vluchten omwille van hun godsdienst, Mekka te verlaten en naar Abessinië te gaan. Hij zei dat er in Abessinië een koning was in wiens rijk niemand kwaad gedaan werd. Stilletjes glipten ze weg uit Mekka, veertien mannen en één vrouw. Dankzij de gastvrijheid van de koning leefden ze enige tijd in vrede en overvloed totdat ze hoorden dat de Koeraisj de moslims niet langer kwelden. Ze keerden terug en constateerden dat de zaken er slechter dan ooit voorstonden. Ze vertrokken dus weer naar Abessinië, ditmaal met een groep van tachtig mannen met hun vrouwen en kinderen.

Ze hadden het Arabisch Schiereiland verlaten om de Koeraisj te ontvluchten. Maar de Koeraisj lieten hen niet met rust. Ze zonden gezanten met kostbare geschenken naar de koning van Abessinië. Ze zeiden tegen hem: “Grote koning, het uitschot van ons land is naar uw land gekomen. Ze hebben de godsdienst van hun voorouders verlaten en zij niet toegetreden tot uw godsdienst (de koning was een Christen). We hebben hun meesters gestuurd, hun vaders en ooms, de leiders van hun volk die hen het beste kennen en we smeken u ze aan hen over te dragen.”

De Koeraisj hadden waardevolle geschenken aan de patriarchen van de koning gegeven en hun gesmeekt de moslims aan hen over te dragen zonder de koning te hoeven ontmoeten. De koning stoorde zich echter niet aan het advies van de patriarchen en stond erop te horen wat de moslims zelf erover te zeggen hadden. Hij riep hen bij zich en zei: “Wat heeft jullie ertoe gebracht de godsdienst van jullie voorouders te verlaten en vervolgens niet toe te treden tot één van de bekende godsdiensten?”

Degene die namens de moslims sprak was Dja°fer ibn Abi Talib, een neef van Mohammed (vzmh). Hij zei: “Grote koning, wij waren een onwetend volk. Wij vereerden afgodsbeelden, aten dode dieren, pleegden gruweldaden, lieten onze verwanten in de kou staan, waren slechte buren, en de sterken onder ons tiranniseerden de zwakken. Zo waren we totdat Allah ons een

boodschapper zond, iemand die we kennen, van wie we weten dat hij integer is. Hij roept ons op alleen Allah te vereren en ons af te keren van de afgodsbeelden en heilige stenen die onze voorouders hadden vereerd. Hij beveelt ons, ons woord te houden, in bewaring gegeven spullen aan de eigenaar terug te geven, aardig te zijn voor onze verwanten, onze.buren en een einde te maken aan zonde en bloedvergieten. Hij verbiedt ons gruweldaden en meineed te plegen. Hij verbiedt ons het geld van wezen in te pikken en laster te spreken over onschuldige vrouwen. Hij roept ons op te bidden, aalmoezen te geven en te vasten. Wij geloven dus in hem en volgen na wat hij ons van Allah gebracht heeft. Nu vereren wij alleen Allah, verbieden onszelf wat Hij ons verbiedt, en staan onszelf toe wat Hij ons toestaat.

Maar onze mensen hebben ons aangevallen, ons vervolgd en gemarteld om ons te dwingen terug te keren naar de afgodenverering en het kwaad dat we vroeger begingen. Toen ze ons overweldigden, onrecht aandeden en tussen ons en onze godsdienst probeerden te komen, kwamen we naar uw land en kozen u uit om bescherming bij te zoeken, in de hoop dat we in hier niet onrechtvaardig behandeld zouden worden.”

“En kunt u mij iets voorlezen van wat hij van Allah heeft gebracht?” vroeg de koning. “Ja” zei Dja°fer en las hem de verzen in soerah Meryem voor, die Maria en Jezus beschrijven: “Dus zij wees naar hem. Ze zeiden: “Hoe kunnen wij spreken met een baby in de wieg?” Hij zei: “Ik ben een dienaar van Allah, Hij gaf mij het boek en maakte mij een profeet. En Hij heeft mij gezegend waar ik ook ben, en Hij heeft mij het gebed en de armenbelasting opgelegd zolang als ik leef, en ook respect voor mijn moeder, Hij heeft mij niet gemaakt tot een ellendige tiran, Vrede zij met mij op de dag dat ik geboren werd, op de dag dat ik sterf en op de dag dat ik weer tot leven word gewekt.” (19: 29-33)

Toen de patriarchen deze woorden hoorden, zeiden ze verbijsterd: “Deze woorden komen uit dezelfde bron als de woorden van onze heer Jezus Christus”.

De koning zei: “Deze woorden en die van Mozes hebben dezelfde oorsprong. Nee, ik zal jullie nooit aan hen overleveren”.

Zo leefden de moslims in vrede en gastvrijheid in Abessinië totdat de profeet zich in Medina vestigde, en ze zich weer bij hun geloofsgenoten voegden.

Vele jaren later, nadat het hele Arabisch Schiereiland onder Mohammed’s heerschappij was gekomen, stuurde de koning van Abessinië een delegatie naar hem toe. Mohammed stond erop hen zelf te bedienen. Toen hem werd gevraagd waarom hij dat niet door één van zijn volgelingen of bedienden liet doen, zei Hij: “zij zijn goed voor mijn volk geweest”.

Testen:

– Waarom emigreerden eerste moslims naar Abessinië?
– Hoe was de reactie van de Mekkanen?
– Wie was de leider van de moslimsgroep bij het emigreren?
– Noem de naam van de koning Abessinië.
– Wat besliste de koning van Abessinië voor de moslims?

Pin It

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *