Geloofsfundamenten

Leerdomein:   GELOOFSLEER
Het eerste leerjaar van de eerste graad – 1

I. GELOOFSFUNDEMENTEN – GELOOFSVOORWAARDEN – GELOOFSARTIEKELEN

1. De betekenis en de waarde van het geloof:  îmân

2. Geloofsfundamenten
2.1. Het geloof in Allah
2.2. Het geloof in Zijn engelen
2.3. Het geloof in Zijn boeken
2.4. Het geloof in Zijn profeten
2.5. Het geloof in qadâ’ en qadar
2.6. Het geloof in het hiernamaals

3. Doe°â’ van “’âmentoe”

DOELSTELLINGEN
Na dit hoofdstuk kunnen/kennen de leerlingen:
1. de waarde en betekenis van het geloof.
2. het bestaan van de Schepper vatten, uitgaande van de structurele orde van het universum.
3. de attributen van Allah oplijsten en verklaren.
4. met zorg goede daden verrichten omdat ze inzien dat de engelen te allen tijde met hen zijn.
5. de 4 heilige boeken van Allah kunnen opnoemen.
6. de liefde voor profeten voelen.
7. de geloofsfundamenten.
8. de “’âmantoe – doe°â’ “en de betekenis ervan.” ”

DIDACTISCHE WERKVORMEN

B Wij maken een geloofsboom: er wordt een lijst gemaakt met de islamitische geloofsfundamenten en samen met de leerlingen wordt er een geloofsboom gemaakt op bord. (doelstelling 1)
B De reflectie van mijn geloof: met de leerlingen de reflectie bespreken van de dagdagelijkse geloofsfundamenten. (doel- stelling 2)
Alles in het universum is verbonden met elkaar: aan de leerlingen wordt gevraagd of ze voorbeelden kunnen geven van waargenomen gebeurtenissen en hun invloed op personen. (doelstelling 2)
De betekenis van de verzen waarin de « dzâtî » en « ŝoebôetî » attributen van Allah staan, worden op kartonnen bladen geschreven en verdeeld onder de leerlingen. (doelstelling 3).
Mijn taak: deel aan jouw leerlingen de werkbladen uit waarop de namen van de engelen staan.
Vraag aan hen of ze de naam/taak van deze engelen kunnen opschrijven.
De Koran zegt: een leergesprek wordt gehouden met de leerlingen over het vers 177 uit soera al Baqara, waarin ons aanbevolen wordt om in de geloofsfundamenten te geloven. (doelstelling 7)
Bij elkaar passen: aan de leerlingen wordt gevraagd om de tekst en betekenis van “âmantoe” te lezen. In een zak worden de kaarten gestopt waarop de woorden en betekenis van “’âmantoe” afzonderlijk op staan. Nu wordt gevraagd of de leerlingen de woorden van “’âmantoe” bij elkaar kunnen passen. (doelstellingen 1, 9 en 10)
Acrostichon maken: de leerlingen worden in groepen verdeeld en er wordt hen gevraagd om een naamdicht te maken van “âmantoe”. (doelstellingen 1-9)
(Een acrostichon (ook: naamdicht of lettervers) is een gedicht waarvan bepaalde, meestal de eerste, letters van iedere regel of strofe, achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin vormen.)

VERKLARINGEN

! De aan te leren belangrijke begrippen: geloof (‘âmantoe), engel, boek, profeet, qadâ’, qadar en hiernamaals.
! De aan te leren belangrijke waarden: geloven, trouw, loyaliteit.
! De aan te leren belangrijke vaardigheden: zichzelf kunnen uitdrukken, categoriseren, verband tussen oorzaak en gevolg bepalen, verbanden leggen, oordeelspatronen herkennen.

* In dit hoofdstuk heeft men als doel dat de leerlingen de islamitische geloofsfundamenten in hun globale aspecten en in hoofdlijnen aanleren. Details worden vermeden. Met de leerlingen de islamitische geloofsfundamenten bespreken die reflecteren op hun dagelijks leven en het verschil tussen deze twee doen inzien.

* Bij het verwezenlijken van de doelstellingen in dit hoofdstuk, kan men de gevoelservaringen van de leerlingen als ondersteuning gebruiken, zoals: nare levenservaring,onrecht of de ontwikkeling van het geloof in Allah m.b.t. vrees-trouw en hoop-hopeloosheid.

* Wanneer de “reflecties van mijn geloof”-activiteit uitgevoerd wordt, krijgen de leerlingen hints en zullen misverstanden rechtgezet worden.

* De tekst van “’âmantoe” zal samen met de betekenis aangeleerd worden.
 De 2de doelstelling van dit hoofdstuk met 4de doelstelling van de 4dejaarsklas van het hoofdstuk “heilige boeken kennen” en de 2de doelstelling van het hoofdstuk “de gezanten van Allah kennen”, in verband brengen.
 In dit hoofdstuk kan men op de volgende manieren evalueren: mondelinge presentatie, werkbladen, kritiek en zelfevaluatieformulieren. Aan de leerlingen kan als prestatietaak gevraagd worden dat ze één van de geloofsfundamenten onderzoeken.”

Pin It

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *