Het leven van de Profeet Mohammed (vzmh)

De situatie in Arabië voor de Islam

Arabië was een land zonder regering. Elke stam eiste eigen bestuursrechten op en beschouwde zichzelf als een aparte eenheid. Er was geen andere regel dan de wet van de sterkste. Diefstal, wraak en moord op onschuldigen en zwakken waren aan de orde van de dag. Niemand kon zeker zijn van zijn leven, bezit of eer. De verschillende stammen waren voortdurend met elkaar in conflict en het kleinste voorval kon aan-leiding geven tot een hernieuwd oplaaien van de vijandelijkheden, die soms leidden tot een massale stam-menoorlog. Zij wedijverden met elkaar in gokken, drinken en overspel. De mannen en vrouwen liepen naakt rond de Ka’ba. Deels uit valse eerzucht, deels uit vrees voor armoede, begroeven zij soms hun pasge-boren dochtertjes levend in het zand. Na de dood van een man erfden de zoons zijn vrouwen samen met zijn tent en kamelen. Ze hadden geen begrip van de ene God. Daarom aanbeden ze afgoden. Elke stam had zijn eigen afgod. Er waren 360 afgoden in en rond de Ka’ba.

De Geboorte en Kinderjaren van Mohammed (v.z.m.h)

Onder die duistere omstandigheden werd het kind Mohammed (v.z.m.h) op Maandag 12 Rabï’ul awwal die overeenstemt met 20 april in het jaar 570 n.c. in Mekka in Arabië geboren. Zijn vader heette Abdoellah en zijn moeder Amine. Zijn vader stierf twee maanden voor zijn geboorte, toen hij terugkeerde van een reis naar Damascus met een handelskaravaan. Zeven dagen later noemde zijn grootvader Abdulmoettalieb zijn kleinzoon Mohammed (de geprezene).

De levensomstandigheden in Mekka waren slecht voor kleine kinderen. Mekka ligt in een vallei omsingeld door bergen. Het was gebruikelijk dat zuigelingen uit rijke Mekkaanse families bij de nomaden in de woes-tijn opgevoed werden. De lucht was er zuiverder en dit kwam hun gezondheid ten goede. Ook leerden ze er beter Arabisch spreken. De voedstermoeders ontvingen een vergoeding voor hun opvoedende taak. Tien vrouwen van de Benï Sa’d stam kwamen naar Mekka op zoek naar kinderen die ze zouden kunnen voeden. Het heilige kind kwam aan Halime toe, omdat anderen geen weeskind zonder geld wilden opvoeden. Halime vond het kleine kind Mohammed lief. Het kind groeide op bij zijn voedsterouders. Op de leeftijd van vier jaar, bracht Halime hem terug naar Mekka en gaf hem aan zijn moeder Amine.

Toen Mohammed zes jaar oud was, ging hij met zijn moeder Amine op reis om het graf van zijn vader te bezoeken. Op de terugweg werd Amine ziek en stierf. Ze werd begraven in Ebwa, een woestijndorpje tus-sen Medina en Mekka. Een voedstermoeder bracht de kleine Mohammed naar zijn grootvader Abdulmoet-talieb. Van zijn zesde tot zijn achtste jaar verzorgde de grootvader het kind. Toen Abdulmoettalieb stierf, nam Mohammed’s oom Aboe Talieb de wees onder zijn hoede en had hem lief met heel zijn hart. Zo begon een nieuwe tijdsperiode in het leven van de kleine Mohammed. Op een van zijn karavaanreizen naar Syrië nam Aboe Talieb zijn neef Mohammed mee. Zij kwamen bij het stadje Boesra aan, een centrum van het Christendom. Hier ontmoette Mohammed de monnik Bahira, die hem als de toekomstige profeet aanwees.

De Jeugdjaren van Mohammed

a) Het Huwelijk met Khadiedjah

Mohammed werd onder leiding van zijn oom Aboe Talieb een goede karavaanleider. Hij stond bekend om zijn inzicht en vooral om zijn eerlijkheid, waardoor hij de bijnaam “Al- Amien = de betrouwbare” kreeg. De eerlijkheid van Mohammed maakte hem bemind bij de rijke handelaarster Khadiedjah. Deze vrouw bood Mohammed aan leider te worden van haar karavaan naar verre landen om daar handel te gaan drijven. Mohammed nam deze taak op zich.

Khadiedjah besloot Mohammed te vragen of hij met haar wilde trouwen. Korte tijd later werd een datum bepaald voor de huwelijksplechtigheid. Mohammed was 25 jaar en Khadiedjah was 15 jaar ouder dan Mohammed. Hij kende een bijzonder gelukkig huwelijksleven.Khadiedjah schonk hem twee zonen: Kaasim en Abdoellah, en vier dochters: Zaynab, Roekiyya, Ummu Koelthum en Fatima. Fatima werd geboren in het jaar van de Eerste Openbaring.

b) Het Lidmaatschap van een Ridderorde

De stad Mekka was een handelscentrum. De buitenlandse handelaars brachten vaak hun goederen naar Mekka. Op een dag begon een Jemeniet te schreeuwen, omdat sommigen hun koopwaar niet betaald hadden en er niemand hem geholpen had. De stamhoofden zijn toen bijeengekomen en stichtten een ridderorde die de naam kreeg van “Hilf al Foedoel” (het zweren van drie Fadoel genaamde stamhoofden). De orde stelde zich tot doel alle verdrukten te helpen in Mekka, of het burgers waren van de stad of vreemdelingen. De jonge man Mohammed werd er met enthousiasme lid van. Later zei hij : “Ik heb eraan deelgenomen, als vandaag iemand op mij beroep zou doen in naam van deze orde, dan zou ik hem helpen.”

c) Het Rechterschap van Ka’ba

De heilige Ka’ba werd herhaaldelijk getroffen door natuurrampen of vernield door brand. De Koeraisj, de stam van Mohammed besloot tot de heropbouw op de plaats waar Abraham de eerste fundamenten had gelegd. Toen de bouwwerken begonnen waren, brak er een twist uit tussen de verschillende stammen van de Koeraisj. Elke stam beweerde het exclusieve recht te hebben de Zwarte Steen = al Hadjaroe’l- Aswad te deponeren op zijn plaats. Het scheelde nauwelijks of een oorlog was uitgebroken tussen de stammen. Toen stelde iemand voor dat men, ter regeling van het geschil, de uitspraak zou aanvaarden van de eerste die de poort van het heiligdom zou binnentreden. Iedereen hield zijn blik op de ingang gericht, en dan verscheen opeens “Al-Amien”. Ze legden hem het probleem voor. Als oplossing voor dit geschil stelde Mohammed hen voor de Zwarte Steen op een doek te plaatsen die door alle stamhoofden zou gedragen worden. Samen konden ze de steen dan optillen tot op de plaats waar hij behoorde te staan. Zo geschiedde…en door deze goede raad wist Mohammed een slachting te voorkomen tussen de stammen van de Koeraisj.

HET BEGIN VAN MOHAMMED’S (v.z.m.h.) PROFEETSCHAP

De Eerste Openbaring

Mohammed (v.z.m.h.) ergerde zich aan de wantoestanden in en rond Mekka. Toen’ Mohammed de rijpe leeftijd van ongeveer 40 jaar bereikt had, zonderde hij zich ieder jaar in de maand Ramadan af in de een-zaamheid van een grot in de berg Hira, een paar kilometer ten noordoosten van Mekka. Soms bleef hij nachten achter elkaar van huis, waarna hij naar zijn familie terugkeerde. Een paar dagen later ging hij weer naar de berg Hira. Daar bracht hij de nacht wakend door en overdag vastte hij.

Tijdens de nacht van 27ste van de Ramadan in het jaar 610 n.c. sprak een stem tot hem. De stem zei: “Lees !”

Mohammed antwoordde : “ Ik kan niet lezen.”

Hierna drukte de engel Gabriël zich tegen Mohammed en zei: “Lees!”

Mohammed antwoordde weer: “Ik kan niet lezen!”

Engel Gabriël drukte zich alweer tegen hem en zei: “Lees!”

Mohammed herhaalde zijn antwoord : “Ik kan niet lezen !” en vroeg “Wat zal ik lezen ?” Deze woord-wisseling werd driemaal herhaald . Uiteindelijk werden de volgende verzen geopenbaard: “Lees, in de naam van uw Heer, die geschapen heeft. Geschapen heeft de mens van een bloedklomp. Lees! En uw Heer is de edelste. Die door middel van de pen onderwees. Aan de mens leerde wat hij niet wist.” (Hoofdstuk Alaq, verzen 1-5)

Na wat aarzeling reciteerde Mohammed de woorden van God die hem door de engel Gabriël werden voor-gezegd. Hierna verdween de engel, Mohammed bleef verward achter. Tijdje later verscheen de engel nog eens aan de horizon en zei: “Jij bent de gezant van Allah en ik ben Gabriël.”

Mohammed bleef stokstijf staan en durfde zich een tijd lang niet te bewegen. Daarna haastte hij zich terug naar zijn vrouw Khadiedjah en vertelde haar wat er gebeurd was, terwijl hij haar bibberend vroeg om hem te bedekken.

Zo werd Mohammed (v.z.m.h.) profeet van Allah. Sindsdien wordt deze nacht de “Lailat oel Qadr” (de waardevolle nacht) genoemd. Deze nacht is duizend maanden waard volgens de Koran.

Heimelijke Uitnodiging en de Eerste Moslims

De uitnodiging begon nadat de eerste verzen van het hoofdstuk van de Verborgenen waren geopenbaard, maar deze oproep werd volledige geheimhouding gedurende drie jaar gedaan. Chadiedjah was de eerste die aan de goddelijke oproep gehoorzaamde.Zij werd onder de mannen door Abu Bakr opgevolgd, onder de kinderen door A.H. en onder de vrijgemmakte slaven door Zayd. Binnen drie jaar waren er dertig Moslims. Heimelijk deden zij godsdienstige oefeningen, lazen de Koran en verspreiden de Islam in deze periode.

Openlijke Uitnodiging

Een uitnodiging werd openlik gedaan toen het volgende vers vier jaar na het begin van de Openbaring arriveerde: “Verkondig daarom openlijk hetgeen u is bevolen en wend u van de polytheïsten af.” (Koran: 15/ 94)

Onze Profeet ging naar de Ka’ba en las de Qur’an verzen die hij had ontvangen hardop voor en riep op tot de Islam als volgt: “O mensdom, ik ben u allen tot een boodschapper van Allah, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde behoort. Er is geen God naast Hem. Hij geeft het leven en doet sterven.Gelooft daarom in Allah en zijn boodschapper, de ongeleerde profeet, die in Allah en Zijn woorden gelooft en volgt hem opdat gij recht geleid moogt worden.” (Koran: 7/ 158)

Tot ergernis van de polytheïsten begon het aantal Moslims langzaam te stijgen. In het zevende jaar werd Hamzah de negenendertigste en Omar de veertigste Moslim.

Martelingen

In het begin namen de polytheïsten de profeet niet serieus. Zij bemoeiden zich niet met zijn oproeping, maar bespotten de Profeet en de Moslims. Toen het vers “Gijlieden en dat wat gij dient buiten Allah zijt de stenelaag van Djahannam; in haar zult gij afdalen.” (Koran: 21/ 98) arriveerde, waren de polytheïsten woedend en begonnen de Moslims te beledigen.

Vervolgens spraken de polytheïsten Abu Talib aan en vroegen hem te voorkomen dat de Profeet hun religie en afgoden beledigde. Toen deze poging op niets uitliep, spraken zij de Profeet zelf aan. Zij zeiden : “Als uw motiefis rijkdommen te winnen, laat ons u dan de rijkste in onze stammen maken. Als het macht is dat u wenst, laat ons u dan uitkiezen als hoofd. Als u aan trouwen denkt, laat ons u dan de edelste,zuiverste en mooiste vrouwen van de Koeraisj schenken. Sta ons toe alles op te offeren wat u wilt, als u uw zaak maar opgeeft en de vrede niet stoort.”

De boodschapper van Allah antwoorde : Als u aan mijn rechterhand de zon en mijn linkerhand de maan zou plaatsen, doch zal ik van mijn standpunt niets prijsgeven.Mijn Heer heeft mij naar u toegestuurd als een profeet en heeft een boek aan mij geopenbaard. Ik vermeld de bevelen van de Almachtige aan u.

Toen de gesprekken met Aboe Talib en de Profeet vruchteloos bleken te zijn, begonnen de polytheïsten de Moslims te folteren en te martelen. Zij pasten martelingen toe die hun weerga in de geschiedenis niet kennen, vooral op arme en behoeftige Moslims, slaven. Onder de slachtoffers waren Habbab, Bilal, Ammar, Yasir en Sumayya.

Habbab, die een smid was, werd op roodgloeiende kolen neergelegd en met de borst naar beneden geduwd tot de kolen gedoofd waren. Umayyah, de zoon van Halaf, legde zijn slaaf Bilal de Ethiopiër elke dag uitgestrekt en naakt op het hete zand, plaatste een grote kei op zijn borst en liet hem uren in de zon liggen en martelde hem zodat hij de Profeet zou vervloeken en de Islam de rug zou toekeren.Op een dag bond hij zijn handen en voeten stevig vast, legde een touw om zijn nek en liet zijn naakte lichaam door kinderen over het hete zand van de straten van Mekka slepen. Zelfs onder deze omstandigheden bleef de halfdode Bilal, met afgestroopte rug en geheel bebloed, opdreunen: “Eén, één” (Allah is èèn, Allah is èèn).

Eerst konden zij de Boodschapper van Allah niet aanraken, omdat zij bang waren voor de Hasjimieten en omdat hij beschermd werd door Aboe Talib. Na verloop van tijd deinsden zij er nie voor terug de Profeet zelf aan te vallen met beledigingen, martelingen en allerlei soorten van kwaad. Zij strooiden doornen op zijn pad, smeerden bloed op zijn deur en lieten vuiligheid achter bij zijn deuropening. Op een keer, toen hij het gebed uitvoerde in het Heilige Moskee, viel Uqba hem aan en probeerde hem te wurgen, maar hij werd gered door Aboe Bakr.De boosaardigheden van de polytheïsten maakten het de Moslims onmogelijk om in Mekka te blijven.

Beproevingen en tegenspoed

Ondertussen emigreerden enkele Moslims twee maal naar Ethiopië in het vijfde en zevende jaar. In het zevende jaar van de Mekka periode werden de Moslims in de nabijheid van Aboe Talib belegerd. De Moslims ondergingen vele beproevingen tijdens deze periode van ontbering. Zij leden honger omdat zij niet openlijk voedsel konden kopen. Zij probeerden zich inleven te houden met boomschors en gras. De kinderen verhongerden en stierven. Deze belegering verminderde in de maanden toen alle oorlogvoering verboden werd. Deze Edele Boodschapper kon in deze maanden zijn plicht doen en de religie van de Islam doorgeven. In het tiende jaar werd deze afschuwelijke belegering opgeheven en kwam er een einde aan het leven van ontbering. De Moslims waren hierover verheugd, maar hun vreugde duurde niet lang. Aboe Talib (die de mentor en beschermer van de Profeet sinds zijn achtste jaar was) stierf. De dood van Aboe Talib vulde de Boodschapper van Allah met verdriet. Drie dagen later stierf Onze Moeder, Khadidjah. Khadidjah was de grootste aanhanger van de Boodschapper van Allah en zijn liefhebbende metgezel. Deze twee sterf-gevallen maakten alle Moslims zeer treurig. Daarom werd het tiende jaar “het Jaar van Verdriet” genoemd.

De Emigratie

De Islam bleef zich uitbreiden in Medina. De Edele Boodschapper stond metgezellen die het kwaad van de Polytheïsten niet konden verdragen toe om naar Medina te gaan. Zo begon de “Emigratie” (Hidjra) in april 622. In korte tijd gingen vrijwel alle Moslims naar Medina. De Mekkaanse emigreerden met toestemming van de Edele Profeet, werden de “Emigrant” (Muhadjir) genoemd, terwijl de Medinaanse Moslims die hen hielpen de naam “Helpers” (Ansar) kregen. De heilige Profeet was nog in Mekka. De emigratie van de Moslims naar Medina verontrustte de mensen van Mekka. Zij kwamen bij elkaar en besloten de Profeet te vermoorden. De Edele Profeet, die het gevaar in de gaten kreeg, riep Ali tot zich en verklaarde: “ik vertrek naar Medina. Geef deze panden morgen aan de eigenaren. Vertrek onmiddelijk na mij. Slaap vannacht in mijn bed.” De Profeet ging naar buiten en voegde zich bij Aboe Bakr en zij vertrokken gezamenlijk. Zij schuilden in een grot van de Berg Thaur. De mensen van Mekka volgden de Profeet en beloofden een beloning van honderd kamelen aan diegene die hem dood of levend zou terug brengen. De Almachtige beschermde Zijn Boodschapper tegen de aanvallen van deze vijanden.

De afstand russen Mekka en Medina nam dertien dagen in beslag om met een kameel af te leggen. De Boodschapper van Allah en zijn troep slaagden erin deze afstand in acht dagen te overbruggen en arriveer-den in het dorp Koeba. Zij bleven daar twee weken. Hij vertrok opnieuw naar Medina op een vrijdag, samen met Aboe Bakr en hen die gekomen waren om hem te ontmoeten. Onderweg voerden zij de dienst van het Vrijdaggebed uit en hield de Boodschapper van Allah een preek. In de middag kwam hij Medina binnen. De Medinanen verwelkomden de Boodschapper van Allah met groot enthousiasme.

De Medinaanse Periode (623 – 632)

Broederschap werd gesloten tussen de Emigranten en de Helpers in Medina. Er werd begon­nen met de bouw van de Moskee van Medina. Met de Joden werd een burgerschapsovereenkomst ondertekend. De mensen van Mekka lieten de Moslims in Medina niet met rust. Zij vielen hen steeds weer aan en gaven aanleiding tot oorlog. De oorlogen van Badr, Uhud, de Oorlog van de Loopgraaf en andere volgden elkaar op. Daar stond tegenover dat de Joden van Medina zich er niet van weerhielden polytheïsten en Christenen buiten Medina op te ruimen. Aanvallen op de Islam volgden elkaar op. Deze werden allen gedwarsboomd met de hulp van Allah. In het zesde jaar van de Emigratie, werd Hudaybiya wapenstilstand met de mensen van Mekka ondertekend. Dit betekende de officiële erkenning van de Islam door de mensen van Mekka. De roem van de Islam verspreidde zich met de dag over het Arabische Schiereiland.

In het zevende jaar van de Migratie werden gezanten gezonden naar de keizer van Byzantium, de Sjah van Iran, de Nedjasjie van Ethiopoë, de Heilige van Egypte, de Amir van de Ghassaniden en de Koning van Yamama, om hen tot de Islam uit te nodigen.

Verovering

Mekka werd in het achtste jaar van de Emigratie veroverd. Zo werden polytheïsten eindelijk overwonnen en de aanvallers op de vlucht gedreven. De Ka’ba, die het symbool is van het geloof in een God, werd gezuiverd van afgoden. Aan afgoderij kwam een einde. De Ka’ba was gespaard gebleven en de eerste en voornaamste taak van de Profeet was volbracht.

Na de verovering van Mekka werden de centra waar de vijanden van de Islam samenkwamen een voor een overwonnen. In het negende jaar van de Emigratie toonde de Tabuq expeditie tegen Byzantium, het machtigste Rijk van zijn tijd, de kracht van de Islam in de wereld. De roem van de Islam verspreidde zich over geheel Arabië. De Arabische stammen begonnen afgevaardigden naar Medina te sturen en de Islam uit vrije wil te accepteren. Daarom werd dat jaar “Het jaar van de Afgezanten” genoemd.

Eeuwige Emigratie ( de Dood)

De Boodschapper van Allah stierfin de kamer van Aisja net voor zonsondergang op de eerste Maandag van Rabi’oel awwal. Hij werd ’s Woensdag begraven. Zijn naaste verwanten en geheel Medina waren in rouw. De Moslims konden niet geloven dat hij overleden was. Enkelen werden zelfs zo boos op diegenen die zijn dood meldde. Alleen Aboe Bakr bleef kalm. Hij ging naar de kamer van Aisha, zijn dochter. Hij ontblootte het gezicht van de Boodschapper van Allah en kuste hem tussen de ogen, terwijl hij huilde:

“Boodschapper van Allah, is liever dan vader of moeder voor mij! U hebt de dood geproefd die Allah had voorgeschikt. Maar van nu af aan bent u onsterfelijk. Beminnelijk was u tijdens uw leven en nu bent u beminnelijk in de dood !”

En hij troostte zijn dochter. Toen ging hij rechtstreeks naar de Moskee. De mensen snelden toe om naar hem te luisteren. Hij beklom de preekstoel en zei: “Mensen! Als er iemand onder u is die Mohammed aanbidt, laat hem dan goed begrijpen dat Mohammed dood is. Wat betreft diegenen die Allah aanbidden, laten zij weten dat Allah alleen onsterfelijk is en dat Hij nooit zal sterven.”

Toen droeg hij het volgende vers voor:

“En niet is Mohammed anders dan een Boodschapper. Reeds zijn voor hem de boodschappers heengegaan. Zult gij dan, indien hij sterft of gedood wordt, u omwenden op uw hielen? Maar wie zich omwendt op zijn hielen, die zal Allah in niets schaden. En Allah zal belonen de dankbaarheid.” (3/144).

Aboe Bakr werd tijdens deze gelegenheid ook tot Kalief gekozen, terwijl de mensen in de Moskee hem trouw beloofden. Het lichaam van de Heilige Boodschapper kon pas de volgende dag, een dinsdag, klaargemaakt worden. Deze zeer belangrijke taak werd door zijn nauwste mannelijke verwante uitgevoerd. Ali waste hem. Het graf werd gegraven in Aisja’s kamer onder het bed waar hij zijn laatste adem had uitgeblazen. Zijn begrafenisgebed werd dan allen èèn voor èèn opgezegd en duurde tot de avond. Mohammed, moge vrede met hem zijn, de laatste van de Heilege Profeten en de genade voor de werelden, werd begraven in de nacht van Dinsdag op Woensdag (2/3 Rabïül’l-awwal 11) (28/29 mei, 632)
Mogen alle soorten lof, zegening en vrede met hem zijn.…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *