Islamitische Verdraagzaamheid en Samenwonen

ISLAMITISCHE VERDRAAGZAAMHEID EN SAMENWONEN TUSSEN DE VERSCHILLENDE GEMEENSCHAPPEN

Als we de Islamitische omgangsregels van moslims met niet-moslims bekijken, en wat daarin halal en haram is, vinden we twee Koran verzen, die hier betrekking op hebben en samen hangen richtlijnen over deze kwestie geven. “Allah verbiedt u niet, degenen, die niet tegen u om de godsdienst hebben gevochten, noch u uit uw huizen hebben verdreven, goed te doen en rechtvaardig te behandelen: voorzeker, Allah heeft de rechtvaardigen lief. Maar Allah verbiedt u vriendschap te betonen aan degenen, die tegen u gevochten hebben om de godsdienst, die u uit uw huizen hebben verdreven of geholpen hebben u te verdrijven. En wie hun ook vriendschap aanbiedt, dezen zijn de boosdoeners.” (Moemtehine: 60/ 8,9)

De eerste van deze twee ayahs roept niet alleen op tot eerlijkheid en rechtvaardigheid in de omgang met niet-moslims, die de moslims niet bevechten of uit hun huizen verdrijven oftewel degenen, die noch in oorlog, noch vijandig tegenover de moslims staan maar spoort de moslims bovendien aan vriendelijk tegen hen te zijn. Het woord ‘birr’ of goedheid, dat in dit vers gebruikt wordt, is een veelomvattende term en duidt op vriendelijkheid en vrijgevigheid, en staat boven rechtvaardigheid; het is hetzelfde woord, dat gebruikt wordt om de plicht van een moslim ten opzichte van zijn ouders te beschrijven.

Wij zeiden, dat dit vers tot rechtvaardigheid oproept, omdat Allah zegt: “Allah heeft de rechtvaardigen lief” (Moemtehine: 60/ 8) en de gelovigen probeert altijd te doen, wat Allah bemint. Op deze manier maakt Allah duidelijk, dat Hij niet verboden heeft om vriendelijk tegen niet-moslims in het algemeen te zijn, maar alleen tegen diegenen die met de moslims in oorlog verkeren of hen vijandig gezind zijn.

1. Speciale voorwaarden voor de volkeren van het boek

Hoewel de Islam het moslims niet verbiedt om vriendelijk en vrijgevig ten opzichte van de mensen van andere godsdiensten te zijn, zelfs niet als het afgodendienaars of polytheïsten zijn, zoals bij voorbeeld de polytheïsten van Arabië, met betrekking tot wie het bovengenoemde vers geopenbaard werd; benadert het de mensen van het boek echter op een speciale manier (de joden en christenen), of ze nu in de Islamitische samenleving wonen of erbuiten. De Koran spreekt ze nooit anders aan, dan: “O mensen van het Boek” of “O gij aan wie het Boek gegeven is”, duidend op het feit, dat zij oorspronkelijk een volk van een geopenbaarde godsdienst waren. Om deze reden bestaat er een relatie van genade en geestelijke verwantschap tussen hen en de moslims; allen hebben van de ene ware religie, die Allah middels zijn profeten (vzmh) geopenbaard heeft, dezelfde principes gemeen. “Wij schrijven u dezelfde godsdienst voor, die wij aan Noach oplegden en Wij bovendien aan u openbaren en die Wij Abraham, Mozes en Jezus oplegden: “Bevestigt deze godsdienst en weest er niet in verdeeld”. (Sjoera: 42/ 13)

Van moslims wordt verwacht, dat zij in alle door Allah geopenbaarde boeken geloven en in alle profeten, die Hij gestuurd heeft, anders zijn zij geen gelovigen.

Dientengevolge zullen de mensen van het boek, als zij de Koran lezen, lofprijzingen op hun boeken, boodschappers en profeten aantreffen. “En twist met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze: doch zeg tegen de onrechtvaardigen: “Wij geloven in het geen ons is geopenbaard en hetgeen u is geopenbaard; en onze God en uw God is één; en aan Hem onderwerpen wij ons.” (Ankebut: 19/ 46)

Wij hebben al gezien dat de Islam het toestaat om met de mensen van het boek te eten; hun vlees, dat zij geslacht hebben, te delen, en hun dochters te trouwen, wat een relatie van wederzijdse liefde en genade is. Zoals Allah Ta’ala zegt: “Het voedsel der mensen van het Boek is u geoorloofd en uw voedsel is hun toegestaan.” (Maide: 5/ 5)

Dit slaat op de mensen van het Boek in het algemeen. Niettemin wordt aan christenen in de Koran een speciale status gegeven, omdat ze dichter de harten van de gelovigen staan. “…en jij zult zeker vinden dat zij die het dichts bij in liefde voor de gelovigen zijn, degenen zijn, die zeggen: ‘Voorwaar, wij zijn Christenen’…” (Maide: 5/ 82)

2. Niet-moslim inwoners in een islamitische staat

De eerder genoemde bevelen hebben betrekking op alle mensen van het Boek, waar die zich ook mogen bevinden. De mensen echter, die onder bescherming van een Islamitische regering leven, hebben speciale privileges. Naar hun wordt gerefereerd als “de beschermde volkeren” (ahl al-dzimmah of dzimmies), wat betekent, dat Allah, Zijn boodschappers (vzmh) en de gemeenschap van moslims een overeenkomst met hen hebben gesloten, opdat zij in veiligheid onder de bescherming van de Islamitische regering kunnen leven.

In moderne terminologie zijn dzimmies burgers van de Islamitische staat. Van de eerste Islamitische periode tot op de dag van vandaag, zijn de moslims het er zonder uitzondering over eens, dat ze dezelfde rechten en verantwoordelijkheden dragen als de moslims zelf, maar dat ze vrij zijn om hun eigen geloof uit te oefenen. De Profeet (vzmh) benadrukte de plichten van de moslims ten opzichte van de dzimmies, en dreigde iedereen die hen geweld aandoen, met Allah’s wraak en straf. Hij zei: (Eboe Davud) “Degene, die een dzimmie kwaad doet, doet mij kwaad, en degene die mij kwaad doet, ergert Allah.” (Taberani)

“Iedereen, die dzimmie kwaad doet, heeft mij als tegenstander, en ik zal zijn tegenstander zijn op de dag der opstanding.” (El- Hatib)

“Op de Dag der Opstanding zal ik met iedereen redetwisten, die iemand van de mensen met een verdrag onderdrukt heeft, of zijn rechten geschonden heeft, of hem verantwoordelijkheden gegeven heeft, die boeven zijn macht waren, of hem iets tegen zijn wil heeft genomen.” (Eboe Davoed)

De opvolgers van de Profeet, de Kaliefen, hebben de onschendbaarheid van de niet-Islamitische burgers en hun rechten beschermd.

3. De betekenis van vriendschap met niet- moslims

Deze ayahs werpen licht op het karakter van de mensen, die vijandschap en grote haat in hun hart tegen de moslims koesteren, en wiens tongen enkele tekenen van hun vijandschap tot uitingen brengen. Allah Ta’ala zegt: “Gij zult geen mensje vinden die in Allah en de Laatste Dag geloven, terwijl zij iemand liefhebben die Allah en Zijn boodschapper tegenwerkt, zelfs al waren dezen hun vader of hun kinderen, of hun broeders, of hun verwanten.” (Mudjadile: 58/ 22)

Hulp bij niet-moslims zoeken

Het is niet erg als moslims, op privé- of bestuurlijk niveau, hulp zoeken bij niet- moslims, zolang het maar om praktische zaken gaat, die niets met het geloof te maken hebben, zoals bijvoorbeeld medicijnen, industrie en landbouw. Het is echter bijzonder wenselijk, dat moslims op alle terreinen zichzelf kunnen helpen.

We zien een voorbeeld uit het leven van de Profeet (vzmh), dat hij ‘Abdullah bin Uraiqit, een polytheïst, in dienst nam, om hem op zijn vlucht van Mekka naar Medina te leiden.

De voorwaarde om hulp te vragen van een niet- moslim, is, dat hij door de moslims vertrouwd moet worden; anders mag hem geen hulp gevraagd worden. Aangezien het verboden is om hulp van onbetrouwbare moslims te vragen, bijvoorbeeld die geruchten en angst verspreiden, geldt deze voorwaarde ook in het geval van niet- moslims. (El- Mughnie)

Het is moslims toegestaan giften aan niet- moslims te geven en giften van hen te ontvangen. Het is afdoende om te vermelden, dat de Profeet (vzmh) giften van koningen accepteerde, die geen moslim waren. (Ahmed, Taberani)

Op een keer kwam er een rouwstoet langs de Profeet (vzmh), waarop hij opstond. Iemand merkte toen op: “O boodschapper van Allah, het is de begrafenis van een jood”. De Profeet (vzmh) antwoordde: “Was hij geen ziel?” (Boekhari)

Waarlijk, de Islam geeft ieder mens zijn waardigheid en zijn plaats. (Helal en Haram)

4. Het gedrag t.o.v. de ongelovigen

De moslim moet onvoorwaardelijk geloven, dat alle religies hebben afgedaan, dat hun volgelingen ongelovigen zijn, dat de Islam de enige ware religie is en dat de moslims de enige ware gelovigen zijn. Allah drukt dit als volgt uit: “De ware religie voor Allah is de Islam!” (Ali °Imraan: 3/ 19)

“Wie ook maar een andere religie zoekt dan de Islam, moet weten dat deze van hem niet geaccepteerd zal worden. Hij zal in het hiernamaals tot de verliezers behoren.” (Ali °Imraan: 3/ 85)

“Heden heb ik voor u uw religie vervolmaakt, en heb ik mijn Genade voltooid en ik heb voor u de Islam als religie gekozen.” (Maïda: 5/ 3)

Precies deze bevestigingen geven de moslim de verzekering dat alle religies, die aan de Islam zijn voorafgegaan, hebben afgedaan; dat de Islam de universele religie is en dat Allah geen andere godsdienst noch een andere wetgeving accepteert.

Hieruit volgt dat de alle moslims die de Islam niet belijden, als ongelovigen beschouwt, en dientengevolge houdt hij zich ten opzichte van hen aan de volgende regels:

l. Hij keurt hun ongeloof niet goed, want het erkennen van ketterij behoort ook tot ketterij.

2. De moslim houdt niet van ongelovigen, want Allah verafschuwt hen. De moslim houdt van hetgeen Allah aanbeveelt en verafschuwt hetgeen Allah afraadt.

3. Het is hem niet geoorloofd zich met hen te verbinden noch met hen te sympathiseren. Allah waarschuwt ons hierover met de volgende woorden: “Laten de gelovigen geen voorkeur hebben voor de ongelovigen om ze tot vrienden te nemen boven de gelovigen.” (Ali °Imraan: 3/ 28)

“Niet zult gij zien dat de mensen, die geloven in Allah en in de Laatste Dag, sympathiseren met degenen, die Allah en Zijn Profeet vijandig gezind zijn, ook al zijn het hun vaders, hun zonen, hun broeders of hun bloedverwanten.” (Moedjadile: 58/ 22)

4. Niettemin moet de moslim zich rechtmatig gedragen ten opzichte van hen, hen goed behandelen, wanneer zij niet met hen in staat van oorlog verkeren. Allah zegt: “Allah verbiedt u niet om goed en correct te zijn tegenover degenen, die uw religie respecteren en u niet uit uw huizen verjagen. Allah houdt van de mensen, die zich correct gedragen!” (Moemtehiene: 60/ 8)

Dit edelmoedige en nadrukkelijke vers schrijft de moslim rechtvaardigheid voor jegens de ongelovigen, en een goede behandeling slechts met uitzondering van degenen, die oorlog voeren, vijanden van de gelovigen, voor wie een speciaal gedrag is voorbehouden, bekend onder de naam “wettelijke beschikkingen omtrent oorlogsvoerders”.

5. De moslim moet aan de noden van de ongelovigen tegemoet komen, zoals hij dat doet voor alle stervelingen: ze voeden, wanneer zij honger hebben, ze te drinken geven, wanneer zij dorst hebben, hen verzorgen, wanneer zij ziek zijn, hen aan gevaar onttrekken en iedere vorm van kwaad voor hen vermijden. De Profeet (vzmh) zei: “Heb medelijden met degenen, die op aarde leven. Hij, die in de hemel is, zal dan medelijden hebben met u.” (Tabarani)

“Iedere goede daad voor leder levend wezen zal door Allah worden beloond.” (Ahmed en Ibn Madje)

6. “Wanneer de ongelovige niet in staat van oorlog verkeert met de moslims, dan moet zijn bezit, zijn leven en zijn eer beschermd worden.” (Ahmed)

De Profeet (vzmh) leverde het woord van Zijn Heer over, dat zegt: “Mijn dienaren! Voor Mijzelf heb ik onrechtvaardigheid verboden, ik verbied het u ook. Weest onder elkaar niet onrechtvaardig.” (Hadis el Koedsi) (Moslim)

“Wie ook maar een niet-Islamitische onderdaan kwaad doen, zal op de Dag van de Opstanding Mijzelf als tegenstander hebben.” (Moslim)

7. Het is de moslim toegestaan om een ongelovige een cadeau aan te bieden en het zijne te accepteren en van zijn eten te eten als hij jood of christen is (mensen van Het Boek). Allah zegt: “U kunt voedsel gebruiken van de mensen van de Geschriften, zoals zij toestemming hebben het uwe te gebruiken.” (Maïde: 5/ 6)

Het is bevestigd dat de joden van Medina de Profeet (vzmh) uitnodigden om bij hen te komen eten. Hij (vzmh) gaf gehoor aan hun uitnodiging en at van hun voedsel.

8. Het is een ongelovige verboden om met een moslimvrouw te huwen. Dit verbod is formeel.

“De moslimvrouwen zijn geen wettige echtgenotes voor de ongelovigen noch andersom.” (Moemtehine: 60/ 10)

“En huwelijkt uw dochters niet uit aan heidenen, totdat zij gaan geloven.” (Bakarah: 2/ 221)

De permissie aan een moslim om te trouwen met een christelijke of joodse vrouw wordt in de Koran volgt uitgedrukt: “Het is u toegestaan uw vrouwen te nemen zowel uit de deugdzame gelovige vrouwen als uit de deugdzame vrouwen, die behoren tot de volken, die voor u het Boek ontvingen, onder voorwaarde hun een bruidsschat te geven en eervol te leven, niet overspelig noch met minnaressen in het geheim.” (Maïda: 5/ 5)

9. Wanneer een ongelovige niets en Allah prijst, laat een moslim hem dan zijn wensen overbrengen met deze woorden: “Moge Allah je op de goede weg leiden en je situatie verbeteren.” In aanwezigheid van de Profeet (vzmh) deden de Joden net alsof zij niesten in de hoop hem (vzmh) te horen zeggen: “Moge Allah u zijn genade schenken”, maar hij (vzmh) zei slechts: “Moge Allah u naar de goede weg leiden en uw situatie verbeteren.” Minhaj El moslim 2

10. De moslim groet niet als eerste de ongelovige (d.w.z. met het uitspreken van selaam). Wanneer deze hem aldus groet, zegt hij slechts: “Ook zo!” de Profeet (vzmh) leerde het ons als volgt: “Wanneer de mensen van de Geschriften u groeten, antwoordt dan slechts: Voor u ook zo.” (Boekharie & Moslim)

Hoe geloven moslims over Jezus (°lesa) (a.s) ?

Moslims respecteren en houden van Jezus (a.s) en hij staat bij de moslims in hoog aanzien. Ze beschouwen hem als één van de grootste boodschappers van Allah aan de mensheid. De Koran bevestigt zijn maagdelijke geboorte. Een hoofdstuk van de Koran is naar Maria (Soera Maryam) vernoemd. De Koran beschrijft de geboorte van Jezus (a.s) als volgt: “Toen de engelen zeiden: O Maria, Allah verkondigt u goede nieuws, van een woord van Hem, zijn naam is de Messias Jezus (as) de zoon van Maria, in hoog aanzien in deze wereld en het Hiernamaals één van degenen die dichter bij (Allah) zijn gebracht. En hij zal tot de mensen spreken in de wieg en als volwassen, en hij behoort tot de rechtschapene. Ze zei: Mijn Heer, hoe zou ik een kind kunnen krijgen daar geen menselijk wezen mij heeft aangeraakt? Hij (de engel) zei: Zo schept Allah wat Hij wil. Wanneer Hij besluit een zaak te beschikken dan zegt Hij: Word! En het wordt.” (Ali °Imraan: 3/ 45/47)

Jezus (a.s) werd op een wonderbaarlijke manier geboren door Allah’s bevel, welke ook Adam (a.s) tot leven bracht zonder een vader (en een moeder). Allah zegt in de Koran: “De gelijkenis van Jezus (a.s) is bij Allah als de gelijkenis van Adam, die Hij van stof schiep, waarna Hij tot hem zei: Word en hij werd.” (Ali °Imraan: 3/ 59)

Tijdens zijn profeetschap verrichtte Jezus (a.s) (met Allah’s wil en hulp) vele wonderen. Allah vertelt ons in de Koran dat Jezus (a.s) zei: Gezonden als boodschapper tot de zonen van. Israël: Ik ben tot jullie gekomen met een teken van jullie Heer. Ik maak voor jullie van leem iets wat de gestalte van een vogel heeft en daarin blaas ik zodat het vogel wordt, met Allah’s toestemming. Ik zal de blinde en de melaatse genezen en de doden levend maken met Allah’s toestemming. En ik zal jullie vertellen wat jullie eten en wat jullie aan voorraad maken in jullie huizen. Daarin is waarlijk een teken voor jullie indien jullie gelovig zijn.” (Ali °Imraan: 3/ 49)

Moslims geloven dat Jezus (as) niet gekruisigd was. Het was het plan van de vijanden van Jezus (a.s) om hem te kruisigen, maar Allah beschermde hem en heeft hem tot Zich verhoogd en een schijnbeeld van Jezus (a.s) werd op een andere man gezet. De vijanden van Jezus (a.s) namen deze man en kruisigden hem, denkende dat hij Jezus (a.s) was. Allah zegt in de Koran: “En omdat ze zeiden: Wij hebben de Messias Jezus (a.s) gedood, de zoon van Maria boodschapper van Allah. Maar ze hebben hem niet gedood en ze hebben hem (ook) niet gekruisigd, doch voor hen werd een schijnbeeld van hem gemaakt (en ze hebben die man gekruisigd en gedood). Zij die daarna van mening verschillen zijn waarlijk in twijfel over hem. Zij hebben daaromtrent geen wetenschap anders dan het navolgen van de blote mening. En in zekerheid hebben zij hem niet gedood. Neen, Allah heeft hem tot Zich verhoogd. Allah is geweldig en wijs.”. (En-Nisa: 4/ 157-158)

Noch de Profeet Mohammed (s.a.s) noch de Profeet Jezus (as) zijn gekomen om de fundamentele leerstelling van het geloof in de Enige God te veranderen, die door eerdere profeten zijn gebracht, maar om het te bevestigen en te hernieuwen.

Pin It

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *